De gevangen bewaarder.

De gevangen bewaarder.
Philippi_Paulus_en_Silas

Er ging een wonderlijke vrouw door de stad, met een vreemde blik in haar ogen. Zij liep vrij rond en deed niemand kwaad, maar ieder kon wel zien dat zij niet was als de andere mensen. Zij had geen macht meer over har eigen gedachten. Een Boze geest had bezit van haar genomen. Zij was de slavin van een paar mannen in Philippi. Haar lichaam en haar ziel waren geen van beide vrij. Maar haar meesters wier eigendom wier eigendom zij was beklaagden haar niet. Die waren zelfs verheugd over haar ongeluk want zij gebruikten haar als waarzegster. De mensen kwamen tot haar om iets over hun toekomst te horen. De geest die haar beheerste gaf haar de woorden in die ze zeggen moest. En daarbij stonden haar meesters en streken het geld op dat bijgelovige mensen moesten betalen. Zo was de arme vrouw een bron van rijke inkomsten voor die mannen. Zo werden zij rijk door haar ellende. Nu ging die slavin door de straat en zag vier mannen aankomen ernstige mannen met vriendelijke rustige ogen. Het waren de vier gezanten van Jezus: Paulus, Silas, Lucas en Thimotheus. Maar de mensen wisten dat niet. Die vrouw echter bleef staan om hen na te kijken en zij wist het plotseling wel! Zij liep Paulus en zijn vrienden achterna en riep luid: Deze mensen zijn Dienstknechten van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis boodschappen. Het was de Boze geest in haar, die haar dwong te roepen. En voortaan iedere dag als Paulus met zijn vrienden door de stad ging volgde hen die vrouw met haar wilde ogen en haar krijsende roep. Zo wilde de Boze geest het werkt van Jezus in Philippi bederven. Dat begreep Paulus. Hij had dagen lang het geroep van die vrouw geduldig verdragen, maar eindelijk verdroot het hem. En toen bestrafte hij niet de slavin dat arme schepsel was onschuldig maar de Boze geest en zei: Ik gelast u in de naam van Jezus Christus van haar ut te gaan. En vanaf dat ogenblik was die vrouw genezen. Haar ogen waren normaal en rustig als van andere mensen er was grote vreugde in omdat haar ziel verlost was van die vreselijke slavernij. Maar een slavin van mensen was zij nog wel. En toen haar meesters haar zo zagen waren die helemaal niet blij. Het geluk van die vrouw liet hun onverschillig. Maar dat zij nu niet meer kon waarzeggen en dat daardoor de kans op voordeel weg was vonden zij verschrikkelijk. Ze brachten al hun vrienden op de been en wisten twee van de vier predikers te grijpen: Paulus en Silas; die sleurden ze naar de markt voor het Romeinse stadsbestuur. En toen spraken ze niet over hun slavin want voor die genezing van die vrouw konden Paulus en Silas moeilijk bestraft worden. Maar zij beschuldigden hen van allerlei Boze dingen. Deze mensen brengen onze stad in rep en roer! riepen ze. Het zijn Joden en ze leren het volk verkeerde dingen! Ze hadden niets ergers kunnen zeggen! Want voor niets was de overheid zo bang als voor oproer. En de Joden waren in die tijd gehaat en zelfs door de keizer uit Rome verbannen. Het volk op de markt begon dreigend samen te scholen. En de hoofdlieden scheurden Paulus en Silas de keren van het lijf en lieten hun vast binden aan de geselpaal. Naar hun verdediging wilden ze niet eens luisteren, een verhoor vonden ze onnodig. De geselroeden suisden reeds door de lucht, de slagen striemde neer. Het was een ontzettende pijniging. Na vele slagen werden ze meegesleurd naar de gevangenis en de bewaarder kreeg het bevel te bewaken. Daarom sloot hij ze op in de binnenste kerker, een donker, vochtige hol, waaruit ontvluchten onmogelijk was. Ten overvloede sloot hij hen voeten in het blok, een zware houten balk met ronde gaten waar hun enkels juist in pasten. Toen viel de deur van de kerker dicht en de sterke grendels werden ervoor geschoven. Zo was het werk van Paulus en Silas onmogelijk geworden. Het scheen wel alsof de satan in Philippi de overwinning had gehaald! Paulus en Silas zaten in volgslagen duisternis. Hun ruggen schroeiden van pijn; hun kleren kleefden aan de bebloede huid. Hun enkels werden omkneld door de zware balk, om hun polsen klemde de boeien. Maar Paulus en Silas wisten voor wie ze dit alles deden. Ze dachten aan Jezus, hun Meester, die oneindig veel meer had gelden voor hen. Ze hieven hun ogen op in de duisternis en baden en wisten dat zijn ogen hen zagen. Toen werden hun harten vervuld en plotseling zetten ze een psalm in midden in de nacht, een lofzang ter ere van God die hun dit lijden had waardig gekeurd. De beiden krachtige mannenstemmen weerklonken door duistere gewelven, en andere gevangen hieven verbaasd de hoofden op en luisterden ademloos toe. Die zang leek een toverzang, waarvoor de muren weken. Zij trilden op hun grond vesten, zij Wankelden en scheurden door hun geweld van een zware aardbeving. Alle deuren sprongen uit hun grendels en gingen open. En door een goddelijk wonder raakten de boeien los en alle gevangenen waren vrij. De bewaarder, uit zijn slaap opgeschrikt zag bij het licht der sterren de deuren openstaan en hij kon niet anders denken, dan dat alle gevangenen ontsnapt waren. Doodangst greep hij hun aan. Hij was een verloren man! Nu hij dit niet had kunnen voorkomen, wachtte hem zeker een ontzettende straf. En hij werd bang dat hij in zijn wanhoop zijn zwaard trok om zelfmoord te plegen. Maar Paulus riep: Doe u zelf geen kwaad want wij zijn allen hier! De gevangenbewaarder kon het bijna niet geloven. Hij liet licht brengen en sprong de keldergewelven van de gevangenis in. Bevende overal zijn leden wierp hij zich voor Paulus neer. Daarna leidde hij hen naar buiten om hen te beschermen voor het vallende puin en wist van angst en eerbied geen raad. Hoe moest hij gered worden van de hemelse straf, omdat hij deze mensen geboeid en gepijnigd had? Had de slavin niet geroepen dat deze mannen de weg tot behoudenis boodschapten? Hij stamelde: Heren, wat moet ik doen om behouden te worden? Zij zeiden: Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis. Toen hebben ze daar midden in de nacht op de binnenplaats van de gevangenis. Het evangelie gepredikt voor de gevangen bewaarder en zijn huis genoten.
Ingezonden door Suzan de Boe.

DE KAMERLING UIT MORENLAND

DE KAMERLING UIT MORENLAND
onbekend
Nu gebeurde het dat Filppus, één van de zeven helpers van de apostelen, een stem hoorde: Sta op en ga tegen de middag de weg op, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Deze weg is eenzaam. En hij stond op en ging weg. Op die zelfde middag was er ook iemand anders op weg van Jeruzalem naar Gaza: een kamerheer van koningin candace van Ethiopië, haar opperschatmeester. Hij was als pelgrim naar Jeruzalem geweest om de God van Israël te aanbidden in wie hij geloofde zonder tot zijn volk te behoren. Het werd een verre reis naar de heilige stad, maar het ogenblik kwam toch, dat zijn voeten stonden in de poorten van de tempel. Op heiden voorhof had hij gestaan, verlangend en biddend, verder dan de scheidsmuur mocht hij niet. Een van die dagen moet de donkergekleurde vreemdeling in een synagoge de woorden van de profeet Jesaja hebben horen voorlezen: Eens zal het ogenblik aanbreken, dat de vreemdeling niet meer zegt: ik hoor er niet meer bij. Zo spreekt God: Ik zal hen een plaats geven in mijn huis, want het zal een bedehuis heten voor alle volken. En de opperschatmeester uit het land Afrika zocht net zo lang, totdat hij voor een hoge prijs een boekrol kon kopen met de woorden van de profeet, die dat gezegd had, Hij stapte weer in zijn reiswagen en liet zich terug rijden naar zijn land, Toen Philippus even stilstond op de eenzame weg, keek hij om en zag daar in de verte een reiswagen aan komen. Hij voelde, dat hij er heen werd gezonden door de Geest van God. Toen de wagen dichterbij kwam, liep hij er naar toe en bleef er vlak naast lopen. Hij hoorde hoe iemand binnen in de wagen hardop aan het lezen was. Het was een donkere man uit Afrika, gekleed in een kostbare mantel, hij had een boekrol in de hand. Langzaam, met luide stem, las hij in het Grieks: Als een schaap werd hij naar de slachtbank geleid, als een lam, dat stom is voor zijn scheerder, zo deed hij zijn mond niet open…. Philippus riep naar binnen: Verstaat ge wel, wat ge leest? Van uit de wagen klonk de zware stem: Hoe zou ik het kunnen begrijpen, als er niemand is, die het me uitlegt? Hij vroeg Philippus in te stappen en naast hem te komen zitten. De kamerling vroeg: Wie bedoeld de profeet met die man, die lijkt op een lam? Philippus vertelde hem van Jezus, de lijdende knecht van de Heer, die gezwegen had als een lam, toen het oordeel over hem werd geveld, hoewel hij het niet verdiend had, en dat er al heel veel mensen waren, die geloofden dat Hij de lang verwachtte Christus was. Al voort hobbelende in de reiswagen, bracht Philippus de kamerling uit Morenland de blijde boodschap over. Hij viel in goede aarde. Terwijl zij voortreisden, kwamen zij bij een water en de kamerling vroeg: Kijk, daar is het water. Nu de Christus is gekomen, is de belofte van Jesaja toch vervuld, dat wij erbij mogen horen? Wat is er nog tegen, dat ik ook gedoopt word? Hij liet de wagen stilhouden. Beiden daalden zij af in het water en Filippus doopte de kamerling uit Afrika. Toen hij uit het water kwam, daalde de Heilige Geest op hem en hij reisde verder in grote blijdschap. Philippus werd door de Geest geleid naar de steden langs de kust, totdat hij kwam in Caesare.

AAN DE HEIDENEN OVERGELEVERD

AAN DE HEIDENEN OVERGELEVERD.

imgres
Tegen Het aanbreken van de morgen kwam de Hoge Raad nog in spoedzitting bijeen in de rechtszaal bij de tempel. Het zal een rumoerige vergadering zijn geweest omdat de meningen verdeeld waren, maar tenslotte haalde het voorstel van Annas en Kajafas meerderheid van stemmen: De Joodse Raad zou Jezus van Nazareth niet berechten, langer gevangen houden was gevaarlijk met het oog op de stemming in het volk er waren veel Galliërs in de stad. Laten we hem uitleveren aan Pilatus. Op deze wijze werd Jezus, de koning Israëls uit gestoten uit zijn volk en overgeleverd aan de heidenen. Laat hem door de Romeinen aan de schandpaal worden gebracht. Geen mens in Israël zal dan nog geloven dat hij de Messias is. Zo lieten zij Jezus handboeien aanleggen en door de tempelpolitie weg leiden naar het paleis, waar Pontius Pilatus zetelde gedurende de feestdagen. Het was het oude paleis van koning Herodes aan de westmuur bij de drie torens, Een groep afgevaardigden van de Joodse Raad ging mee om hem aan te klagen bij stadhouder.

File-Giotto_-_Scrovegni_-_-31-_-_Kiss_of_Judas
Toen Judas gehoord had dat Jezus als een vervloekte werd uitgestoten uit zijn volk en overgeleverd zou worden aan de Romeinen kwam hij tot bezinning kreeg berouw en hij ging naar de opperpriesters in de tempel om het geld terug te geven: Ik heb gezondigd riep hij ik heb een onschuldige verraden. Zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Ge moet zelf maar zien wat er van komt. Wat hebben wij daar mee te maken? Judas wierp dertigzilverlingen op de marmeren tempelvloer en holde weg. Hij zag geen uitweg meer. Hij kon het niet meer goed maken. Het was te laat. Zijn meester zou uitgestoten worden. Ik heb dat verdiend, niet Hij. En Judas vluchtte in de eenzaamheid en maakte een eind aan zijn leven.

800px-munkacsy_-_christ_in_front_of_pilate
Het was nog vroeg in de morgen, toen Jezus werd binnen geleid voor Pilatus. Midden op de binnenplaats was een verhoging van grote stenen, waarop de rechterstoel van de stadhouder stond. Daar was hij gewend om recht te spreken, als hij in Jeruzalem was. Links en rechts stond een zetel voor de secretaris en de tolk. Jezus, moest wachten. De afgevaardigden van de Joodse Raad durfde niet naar binnen te komen, want als ze het huis van een heiden betraden zouden ze voor een dag onrein zijn en het feestoffer niet mogen eten. Och wat waren ze bezorgd om geen fouten te maken! Of was het omdat ze zich er buiten wilde houden? De Romeinen moesten het immers maar doen? Toen Pilatus hoorde dat de afgevaardigden van het Sanhedrin buiten stonden en niet naar binnen wilden komen was hij niet in een best humeur. Wat een belediging voor ons, de Romeinen. Die toch hun meesters zijn. De Joden zijn bang om zich te ont reinigen en besmet te worden! Hij had ook gehoord dat ze die Galileeër uit nijd aan hem wilde overleveren en dat het helemaal geen rebel was. Daar stond de gevangene op de binnenplaats, een magere Jood, konden ze die zelf niet aan? Hij ging de poort uit en stond op het terras in zijn purperen toga. De afgevaardigden kwamen naar voren. Beneden op het plein stond een nieuwsgierige menigte. Wat wilden ze van hem? Liever zou zijn handen niet in zo’n Joods wespennest steken. Welke aanklacht brengt u tegen deze man in? Vroeg Pilatus. Zij antwoorden: Indien hij geen boos doen doener was zouden wij hem niet aan U hebben uitgeleverd. Hij verleidt het volk en verbiedt ons de keizer belasting te betalen en hij zegt van zichzelf dat hij de Messias de Koning is. Na alle aanklachten aan gehoord ging Pilatus weer naar binnen besteeg de treden die naar de rechter zetel leidden, ging zitten spelend met zijn ivoren staf liet de beklaagde voorkomen en zei spottend terwijl hij hem van het hoofd tot zijn voeten bekeek: Zijt u de Koning der Joden? Jezus antwoordde; Gij zegt het. Pilatus noemde de beschuldigingen die hij tegen Jezus gehoord had maar Jezus antwoorde niet. Wilt ge dan niet horen wat er allemaal tegen U in gebracht wordt? En Jezus antwoorde hem op geen enkele vraag zodat de stadhouder zich zeer wonderde. Wat was er toch voor gevaarlijks in deze man? Het leek wel een kind zoals hij daar stond, hulpeloos voor zich uitkijkend. Wrevelig liep hij weer naar buiten en zei: ik vind niets strafbaars in deze man. Neemt hem en oordeelt hem naar uw eigen wetten. Maar zij hielden vol en zeiden: Hij maakt het volk oproerig met zijn leer door heel Judea, al van het begin af van Galilea tot hier toe. Toen Pilatus het woord Galilea hoorde vroeg hij of hij een Galileeër was en toen hij begreep dat hij in het gebied van Herodes Antipas thuishoorde zond hij hem koning Herodes die in die dagen ook in Jeruzalem verbleef. Zo hoopte Pilatus ervan af te komen. Laat de volgende zaak voorkomen. Uit de gevangenis werden nu andere beklaagden naar boven gebracht om berecht te worden. Het waren opstandelingen.


1102014728_univ_lsr_xl

Toen Herodus zag was hij zeer verheugd want allang had hij deze Jezus de Nazarener willen zien, want hij had veel over hem gehoord en hij hoopte dat hij nu een wonder voor hem zou doen. Hij ondervroeg Jezus met veel woorden, maar deze antwoordde niets. Het werd een teleurstelling voor de koning. Ten einde raad zond hij hem terug naar het Romeinse gerecht, nadat hij hem een mooi blinkend kleed had omgedaan. En Herodus en Pilatus werden op de zelfde dag met elkaar bevriend. Voor die tijd hadden zij in vijandschap geleefd. Jezus werd weer voor Pilatus gebracht. Buiten was de menigte aangegroeid. Voor de poort gonsden de stemmen. Als aanstormende windvlagen die steeds sterker werden zoals bij een opkomende storm. Pilatus riep nogmaals de opperpriesters en oversten van het volk bijeen en zei: Gij hebt deze man bij mij gebracht als iemand die het volk afvallig maakt en ik heb hem verhoord. Maar ik zie niet in waarom hij de dood verdient. Ik zal hem laten geselen en dan loslaten. Maar zij begonnen te schreeuwen en het volk viel hen bij: Weg, weg weg met hem! laat Barnabas maar vrij! Dat was een beruchte gevangene, die ook met zijn voornaam Jeshua hete en die bij een oproer was gepakt. Pilatus probeerde over het rumoer heen te schreeuwen, maar de menigte begon te joelen: Weg met hem! Hang hem op! Aan de schandpaal, kruisig hem, kruisig hem! Hun geschreeuw werd al sterker. Toen Pilatus zag, dat het niets bate maar dat er veeleer een oproer ontstond liet hij een kom water brengen. Hij deed de Joodse gewoonte na, waste zijn handen en zei: Ik was mijn handen in onschuld. Ik heb hier niets mee te maken ge moet zelf maar zien wat er van komt. Iemand schreeuwde: Als ge Jezus loslaat zijt gij geen vriend meer van de keizer! Dat gaf de doorslag. Pilatus liet Jezus geselen. Een paar soldaten sloegen hem halfdood. Ze zouden die Joden wel kleinkrijgen! Toen namen de soldaten Hem mee naar het rechts gebouw, riepen hun hele afdeling samen. Ze deden Jezus een rode mantel om vlochten de kroon van de doornige takken waarmee ze hun wachtvuur stookte, gaven Hem als scepter een riet in de rechterhand en riepen: Ave, Rex Judacorum! Gegroet, koning der Joden. De hoofdman maakte er een eind aan. Piltatus sprak met hem en liet Jezus naar buiten brengen in spotgewaad. Hij zou dat hoogmoedige eigenzinnige Jodenvolk wel eens laten voelen hoe machteloos ze waren. Hij kwam weer naar buiten en riep met een spottend lachje: Kijk daar hebt ge uw koning. Ecce homo. Zie de mens die stumper. Zijn secretaris had een plankje in drie talen, Latijn, Griek, Aramees geschreven: Jezus de Nazarener, Koning der Joden. Dit werd de ter dood veroordeelde omgehangen en zou later aan de paal worden vast gemaakt, zodat iedereen het kon lezen waarom hij gestraft was. Eén van de Joodse leiders trad naar voren en zei: Er moet opstaan dat hij beweert heeft dat hij de koning is, maar Pilatus weigerde om het te veranderen. Wat ik heb geschreven, blijft geschreven..
Ingezonden door Suzan de Boe.

De man die om recht schreeuwde

De man die om recht schreeuwde.
Amos? Ja zeker. Hij leefde in de zelfde tijd als Hosea. Iets eerder! Jerobeam was koning. En wie was Amos zelf dan? Hij was ambtenaar bij de tempel. Hij moest zorgen voor het vee dat in de tempel geofferd werd. Hij woonde in het Zuidrijk, in het dorpje Tekoa, dichtbij Jeruzalem. Soms kwam hij in de rijke steden in het noorden, Bethel en Samaria.
4ef160f6525a2c685725524e6193fbd9
Wat hij daar allemaal zag! Van alles kon je daar kopen: juwelen uit Egypte, kruiden uit Afrika, wol uit Moab. Als je maar geld had, wel te verstaan. Want wie niets had was er slecht aan toe! Op de markt zag Amos hoe een keer een paar half verhongerde stakkers verkwanseld werden voor een paar oude schoenen. De moeders hun kinderen moesten verkopen omdat ze eenvoudig geen eten konen betalen. En er was niemand die er wat aan deed! Nog nooit had Amos zo’n gapend verschil gezien tussen armen en rijken.

In deftige clubs zaten jongelui te dobbelen en te drinken. Hun prachtige opgemaakte vriendinnen amuseerden zich met eten, dansen en spelletjes doen. Mannen lagen op rustbedden van fluweel te lanterfanten en te lummelen. Met open mond heeft Amos daar rond gelopen. Was dat mogelijk? Was dit zijn volk? zijn land? Waar alle mensen samen moesten werken? Niemand trok zich iets van de ander aan! Niemand nam het voor de verdrukten op. Niemand! Vanaf het ogenblik dat Amos deze dingen zag is hij er tegen te keer gegaan. Bij de tempel in Bethel werden offers gebracht, keurig op tijd en met alles er op en er aan. En de priesters zeiden hun gebeden: Zij kregen hun geld toch wel van de rijke mensen. Alles gaat toch goed? zeiden de priesters en de rijke zakenlui. We hebben het nog nooit zo goed gehad, man! Het land beleeft een gouden tijd! Kijk zelf maar. Ja een kunst! Riep Amos verbitterd. Zo kan ik het ook. Rijk worden over de ruggen van de armen hee.! Welvaart? Nog nooit zo’n gouden tijd? Nee, maar ook nooit tevoren zo’n verschrikkelijk verschil tussen de rijken en de armen! Zij worden steeds armer.

En bij de rijken stapelt het geld zich op! Amos nam niet de moeite om hoffelijke woorden te kiezen. Ook niet voor de deftige visitekransjes van Samaria, waar welgedane dames zaten, die alleen maar aan het roddelen en uitgaan dachten. Luister, jullie koeien van Basan riep hij. Jullie die de armen wegdrukken en de mensen die alles te kort komen kraken en tegen je mannen zegt: Kom! Laat eens zien wat aanrukken, dan kunnen we drinken! Koeien ban Basan? Zei hij dat? Vroeg Jochai ongelovig. Oeri grinnikte. Ja, dat zei hij, antwoorde de rabbi grimmig. En op dat vette stamboekvee uit Basan leken ze ook. Je zal zo toegesproken worden! Merkte Joram op. O, maar daar gaf Amos niet om. Durven jullie wel? Riep hij tegen de rijke patsers. Iemand die helemaal niets heeft, die zouden jullie nog verkopen voor een zacht prijsje! En arme drommel doe je voor een paar oude schoenen aan de kant.! Allemaal wind is jullie welvaart! het is gewoon diefstal! Zoiets kan niet in Israël. De één heeft alles, de ander heeft niets. En er is niemand die er op let! Wat gemeen! Riep Oeri opgewonden. Ja, dat was het ook. Amos kon het gewoon niet meer aanzien. Recht en gerechtigheid, dat waren de woorden van zijn leven geworden. Maar er was geen recht. God heeft het nooit zo bedoeld! Riep hij. Daar zitten jullie maar en je doen er niets aan. Partijtjes geven. Spelletjes doen, Drinken. Verder niets! Het zat Amos hoog. Waar was de tijd dat ieder Israëliet opkwam voor zijn makker die het tegengelopen was? En jullie! Feestvieren. En dansen. En zuipen! Amos durfde wel. Hij durfde ook de feesten van de poenige zakenlui binnen te lopen. Alle feestvierders hem dan lachend en lallend een glas aanboden slingerde hij hen zijn woorden in het gezicht: Die feesten van jullie? Ik haat ze! Jullie samenkomsten? Ik kan ze niet luchten! Die offers die jullie zo netjes op tijd brengen? Ik moet ze niet! Ik walg ervan! Doe weg! Hou op! Laat dat getier en dat gezing en dat getokkel op je harp, ik kan het gewoon niet meer aanhoren! Kwam er maar recht als water aan golven! Gerechtigheid als een sterke stroom. Recht en gerechtigheid, dat hebben we nodig. De sterke moeten het opnemen tegen de zwakke. Want waar dat niet gebeurt, daar is het leven afgelopen. Ik waarschuw jullie. Toen hebben ze zeker wel geluisterd hé? Vroeg Oeri. Ze hebben nog niet geluisterd. En Amos riep opnieuw: Pas maar op jullie zuiplappen! De koning die nu op de Assyrische troon zit is een slappeling. Maar als straks een opvolger komt, dan zul je eens wat zien. Drinkbroeders, ja jullie daar, op je ivoren rustbedden! Uitgezakte lanterfanters op de zachte divankussens! Eten en uitgaan met mooie geparfumeerde vrouwen dat kunnen jullie. Maar om het kapot gaan van Israël geven jullie niets. Ik zal jullie eens wat zeggen: Jullie zullen de eersten zijn die gedeporteerd worden. Weggesleept zullie jullie worden! Aan de kop van de stoet zullen jullie lopen en dan is het uit met het uitgezakte geparfumeerde, dronken gelanterfant op de divans! Zo zal het gaan. Het begon de priesters in Bethel te vervelen. Amos woorden konden ze niet gebruiken. Wat doen we met die man? Overlegden ze met elkaar. We moeten hem kwijt! Zet hem het land uit, stelde iemand voor. Zeg dat hij hoogverraad heeft gepleegd heeft. En één van de priesters beval: Profeet! Verdwijn! Weg met jou! Vlucht naar het land van Juda, Eet daar brood. Profeteer dáár maar. Maar hier in Bethel willen wij je niet meer horen. Ik ben geen profeet! En ook gen profeten zoon! Zei Amos. Gewoon een man uit Juda was ik, een tempelbeambte. Maar de Heer heeft mij van achter mijn schapen vandaan gehaald en gezegd: Ga heen, profeteer tegen mijn volk Israël. Dat heb ik gedaan. En Israël zal gedeporteerd worden Toen draaide hij zich om en ging weg. Waarheen? vroeg Oeri. Niemand weet waarheen. Niemand heeft ooit meer iets van hem gehoord. Zijn werk was afgelopen. En hij verdween. Ik weet toch niet zeker of ik wel een profeet wil worden… mompelde Oeri. Is het ook uit gekomen, wat hij ze? Ja, nog viertig jaar later trokken de Assyrische legers op. Maar, zei rabbi Jitri: Dit heeft Amos óók nog gezegd namens God: Ik zal het lot van mijn volk omkeren. Verwoeste steden zullen ze weer opbouwen. Ze zullen er wonen. Wijngaarden zullen ze planten en de wijn op drinken. Boomgaarden zullen ze aanleggen en de vruchten eten. Henzelf zal ik planten in de grond, die Ik hen heb gegeven! Is dat onze toekomst? Vroeg Joram. Ik hoop het, antwoorde Jitri.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Hoe het kind genoemd werd.

Hoe het kind genoemd werd.
Toen het kind acht jaar oud was, kreeg het zijn naam. En ze noemde hem Jeshua, wat betekent: God redt. In onze taal heet hij Jezus was een gewone jongens naam in Israël, maar dit kind zou niet alleen die naam dragen, maar ook die naam zijn, wat door Hem zou God de mensen redden.
lamgods_gent3
Ongeveer een maand later gingen Jozef en Maria met hun kind naar de tempel in Jeruzalem. Voor de moeder moest dan een lam geofferd worden of twee duifjes, als je een lam niet kon betalen. Een eerst geboren zoon hoorden aan God. Iedere Joodse vader betaald in de tempel vijf zilverstukken, om hem als het ware weer van God los te kopen. Wie weet wat Maria heeft gedacht, terwijl ze met het kind van God op de arm door de grote poort naar binnen liep: Je lijkt zelf wel een klein lam. Wat kunnen wij voor jou in plaats aan God geven, zodat wij je mogen behouden? De hele wereld is voor jou nog niet genoeg.!
schreiber-bogen_731_temple-in-jerusalem
Ze liepen over het grote voorplein en dan weer door een poort de voorhof in, waar ook de vrouwen mochten komen. Bij de tempel schatkamers stonden daar de groten offerkisten. In de derde kist wierpen ze het geld voor de duifjes, dat het armenoffer hete. Jozef betaalde vijfzilverstukken, net als voor andere eerstgeboren zonen. En toch was het voor Jezus iets anders. Hij was het heilige kind. Hij hoorde bij God. Met geen geld van de wereld was Hij te betalen! Nee, die vijfzilverlingen waren voor Hem niet nodig. God gaf hem immers als geschenk aan de mensen gegeven, zo lief had Hij de wereld. Maria wachtte op de trappen, die naar de priestervoorhof leidden, tot het offer zou zijn gebracht. Het kind had ze in de armen. Er stonden nog meer vrouwen met hun pasgeboren kinderen. Je denkt misschien: Waarom mocht Maria niet doorlopen naar het allerheiligste, de stille plek in het tempelhuis achter het grote gordijn, om daar God voor het kind te bedanken? Niemand mocht daar achter komen, alleen de hogepriester eenmaal in het jaar. Als ze het geweten hadden, dat het Christus, het kind van God was…
Nu woonde er in Jeruzalem een oude man die Simeon hete. Hij was misschien wel bijna 100 jaar en iedere dag smeekte hij God of de Messias toch spoedig mocht komen. O, als hij dat zelf noch eens mocht beleven. Als hij er niet zo vreselijk naar verlangd had, zou hij allang gestorven zijn. Hij wachtte, wachtte op de grote Koning, de Troost van Israël, het licht van de wereld. Altijd zette Simeon een stoel voor Hem klaar in zijn kamertje. Hij kon immers vandaag komen. Wanneer er op deur geklopt, schrok Simeon en dacht: Zou het de Messias zijn? Maar Simeon werd ouder zijn baard was sneeuwwit en de stoel bleef leeg. De mensen glimlachten om die goede oude Simeon. Deze morgen terwijl hij zijn gebed deed en zijn hart vol van verlangen uitstortte voor God, gebeurde het dat hij vervuld werd van de Geest van God. Hij voelde dat er iets bijzonders ging gebeuren. Hij deed de deur open maar er was niemand. Hij keek naar de hemel. De zon stond rustig te stralen net als anders. Geen bijzonder teken was er te zien, geen grote witte wolk, waarop Hij zou komen naar de aarde. Alleen in de verte de grote rookkolom, die uit de tempel omhoog steeg naar de hemel. En toch voelde Simeon: Dit is de dag, de dag van de Heer! Toen ging hij op weg om Hem te zoeken. Hij liep naar de tempel als dat niet het paleis was voor zijn Koning. Zich een weg bandend door de menigte mensen op het voorplein, tuurde hij naar het dak van het tempelhuis, of Hij daar soms stond, de Koning van Israël de Koning van de wereld. Niemand in de tempel leek de Messias te verwachtten. Druk en bedrijvig was men bezig, net als anders. Simeon liep verder naar de binnen voorhof. Had hij zich verbeeld? Hij voelde zich wel erg moe. Onwillekeurig viel zijn blik op een vrouw, die met haar kleine kind op de arm stond te wachtten. Zo had Simeon het niet verwacht en toch liep hij er heen gedreven door de Geest van Israël. De kleine Jeshua vier weken oud, opende zijn ogen en Simeon zag de hemel daarin.. het licht van God.
1102014609_univ_lsr_xl
Toen begon hij God te loven er riep:
Nu laat Gij, Heer, Uw dienstknecht gaan in vrede,
want mijn ogen hebben Uw heil gezien.
dat Gij bereidt hebt voor alle volken,
licht voor de donkere wereld
en heerlijkheid voor Uw volk Israël.
Zijn vader en moeder stonden verwonderd over hetgeen van het kind gezegd werd. En Simeon zegende hen en zei tot zijn moeder:
Hij zal het teken zijn, dat in Israël geloofd wordt of tegengesproken, en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan. Hij zal openbaar maken wat er in de harten van de mensen leeft.
Er waren honderden mensen op het tempelpleinen. Zij praten en deden alsof de wereld nog het zelfde was als te voren. Zij wisten van niets en zoude het misschien ook niet hebben geloofd. Slechts een kleine groep mensen kwam bij de ouders en het kind staan. Toen kwam een oude vrouw naar hen toe. Anna hete zij en zij was profetes. Altijd was zij in de tempel. En dag en nacht bad zei tot God. En ook zij getuigde over het kind van God. Toen Jozef en Maria alles met hun kind hadden gedaan wat de wet hen voorschreef. Keerde zij terug naar Galilea naar hun stad Nazareth. En het kind groeide op en werd sterk van geest en vol wijsheid. En Gods genade was op hem.
Ingezonden door Suzan de Boe.
November 2021
May 2020
April 2020
February 2020
January 2020
November 2019
September 2019
August 2019
July 2019
May 2019
April 2019
February 2019
January 2019
December 2018
November 2018
September 2018
August 2018
June 2018
May 2018
March 2018
February 2018
January 2018
December 2017


Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website [en/of Flash-applicaties] wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.