ZACHEUS.

ZACHEUS.
url
Er was nog iemand in Jericho, die naar Jezus verlangde. Geen bedelaar, maar een rijke man die in een mooi huis woonde. Maar toch werd hij even goed geminacht als een blinde. Erger nog: hij werd gehaat door de hele stad. De mensen bespuwden zijn stoep en zijn deur, wanneer ze ‘s avonds in het donker voorbij kwamen. Ze wendden hun hoofd af als ze hem ontmoeten op straat en vervloekte hem in stilte. Want hij was een tollenaar! Oppertollenaar was hij zelfs en in Jericho een welvarende handelsstad, was hij vlug rijk geworden. Met zijn knechten hield hij de karavanen aan, die uit het oosten kwamen beladen met allerlei koopwaar en eiste zijn deel als schatting voor de Romeinen. Hij had zijn tolhuis, zijn kantoor, bij de poort en niets kon passeren waarvan hij niet de invoerrechten ontving. Maar een groot deel daarvan verdween in zijn eigen zakken en hij werd er steeds rijker van. Toch maakte al dat geld hem niet gelukkig. En zijn mooi huis met de kostbare tapijten en sieraden gaf hem geen bevrediging. Zacheus voelde zich maar eenzaam en ongelukkig want hij leed onder de haat en de minachting van zijn mede burgers. Een verrader noemden ze hem, omdat hij een jood, de Romeinen diende, de verdrukkers van zijn volk. Een dief en een zondaar noemden ze hem. Zacheus voelde zich ook erg zondig en hij dacht dat God hem ook wel zou verachten. Daar leed hij het ergste onder want in zijn hart was een groot verlangen naar God. Hij zou er al zijn rijkdom voor over hebben als hij God hem weer in genade wilde aannemen. Maar God zou zich om hem wel niet bekommeren.
Toen hoorde hij van Jezus. Die scheen de tollenaars niet te verachten. Hij werd zelfs smalend een vriend van tollenaren genoemd, en onder zijn discipelen moest ook een tollenaar zijn.
In Zacheus wanhopig hart kwam een beetje hoop. Misschien was zijn leven toch nog niet helemaal mislukt, misschien was er nog redding voor hem. Hoe meer hij er over dacht, hoe meer hij er naar verlangde, met Jezus te spreken en het hart voor Hem uit te storten! Toen Jezus in Jericho binnen kwam wilde ook Zacheus Hem zien. Meer nog niet; alleen maar zien. Zijn eenzaam leven had hem wantrouwig gemaakt en al die geruchten over Jezus goedheid waren misschien overdreven. Maar als Zacheus Hem zag dan zou hij het weten en kon hij immers naar Hem toegaan? Daar stond hij dan in zijn deftige mantel aan de kant van de weg waar Jezus langs zou komen, en hij zag niets! Want een dikke haag van mensen die allen op Jezus wachtten stond reeds langs de weg geschaard. Zacheus was maar klein en als hij op zijn tenen stond keek hij nog tegen al die hoofden en ruggen aan. Natuurlijk ging ook niemand voor hem opzij. Jezus, was al dichtbij; de mensen vooraan zagen Hem al. Zacheus liep gejaagd verder de naderende stoet vooruit maar ook daar was een groot gedrang. Heel Jericho was uitgelopen. De angst greep Zacheus aan dat hij Jezus niet zou zien. En toen hij een wilde vijgenboom zag, vergat hij zijn deftigheid liep er snel heen en klom erin. Het was een gemakkelijke boom met takken tot laag bij de grond. Daar kon hij nog wel inkomen al was hij geen jongen meer. Al gauw zat hij hijgend op een dikke stevige tak, hoog boven het volk en boog de bladeren opzij om naar beneden te gluren. En dat de mensen hem uitlachen en bespotten kon hem niets schelen. Hij zou Jezus zien.
url
Een grote stoet naderde langzaam, En plotseling daar zag Zacheus naar wie hij zo verlangd had. Hij zag Jezus en zijn gestalte, zijn gezicht en opeens zag ook zijn ogen, zachtmoedig en goed, want Jezus keek omhoog naar de vijgenboom. En toen kwam de grootste verrassing in Zacheus zijn leven want Jezus bleef staan en zei, heel eenvoudig, alsof Hij hem al jaren kende: ,,Zacheus kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven.” , In mijn huis? Dacht Zacheus verward, in mijn huis, waar geen Jood een voet wil zetten? Maar zie Jezus stond te wachten Hij meende het echt! Ja, Here ik kom, stamelde Zacheus en haastig gleed hij uit de boom. Eerbiedig ging hij naast Jezus door het gedrang van de mensen. En het jubelde in zijn hart: Als Hij, op wie heel Israël hoopt, in mijn zondig huis wil overnachten, dan is er nog redding. Dan zal ook God mij nog willen horen! En met grote blijdschap ontving hij Jezus in zijn huis.
Daar buiten verdrongen zich de mensen die niet konden begrijpen dat Jezus binnenging bij zo’n verachte tollenaar, bij zo’n afzetter, zo’n verrader van zijn volk. Er waren toch andere huizen genoeg van vrome godsdienstige Joden! En ze mopperden verontwaardig: Hij is bij een zondig mens binnen gegaan om zijn intrek te nemen.
Zacheus wist zelf, hoe zondig hij was. Nu Jezus in zijn huis gekomen was en te midden van al die pracht op een kostbare rustbank zat, nu voelde Zacheus zijn zonden nog dieper. Elke penning die hij onrechtvaardig verkregen had klaagde hem aan. Hij moest Jezus duidelijk maken dat hij een ander, een nieuw leven wilde beginnen; dat hij alles voor God over had. En plotseling ging die kleine deftige man voor Jezus staan, zag eerbiedig naar Hem op en zei: Zie de helft van mijn bezit, Here geef ik aan de armen; en indien iemand iets heb afgeperst, vergoed ik het viervoudig. Toen verheugde Jezus zich want Hij zag het geloof in Zacheus ogen. Hij hoorde het in zijn stem. En Hij zei: Heden is aan dit huis redding geschonken omdat ook deze een zoon van Abraham is. Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden. Zoals in de gelijkenis de verloren zoon naast zijn vader zat, zo zat nu Zacheus naast Jezus aan tafel. Het was een geluk dat geen mens hem ontnemen kon. Want al verachtte het volk hem, God had hem in liefde aangenomen.
Ingezonden door Suzan de Boe.

TWEE SCHULDENAARS.

TWEE SCHULDENAARS.
034
Simon de Farizeeër had een feestmaal laten aanrichten in zijn huis. In de grote zaal waren de tafels gedekt en de ligstoelen bij geschoven. De deuren waren wijd geopend en in het voorhuis stonden de knechten gereed, om de voorname gasten te bedienen. Simon wist hoe het hoorde. Hij ontving zijn gasten met veel eer en liet hun bestoven voeten wassen, hun hoofd zalven met heerlijke riekende olie en hun kleren besprenkelen met rozen water. Hij omhelsde zijn vrienden en voerde ze dan naar binnen om ze een plaats te wijzen aan zijn dis… Toen kwam ook Jezus daar binnen. Ook Hem had Simon genodigd. Eigenlijk hoorde Hij niet in dat deftige gezelschap de eenvoudige rabbi van Nazareth en Hij mocht ook wel erg blij zijn dat Simon Hem die eer had waardig gekeurd. Simon wilde wel eens rustig met Hem praten want hij wist eigenlijk niet wat hij van Jezus denken moest. Het volk fluisterde dat Hij een profeet was en volgde Hem in grote menigte. Maar anderen de schrift geleerde noemden Hem een bedrieger en een verleider. Om dat te kunnen onderzoeken had Simon Hem maar eens te eten gevraagd. Jezus kwam. Hij kwam toch, ofschoon Hij alles begreep. Maar veel plichtplegingen maakten Simon niet met die eenvoudige gast. Hij ontving Hem koel en hooghartig en wees geen der dienaren aan om Hem te verzorgen. Zò als Hij gekomen was door de hete stoffige straten, werd Jezus in de eetzaal gelaten en met een onverschillig gebaar wees Simon Hem zijn plaats aan het ondereind van de tafel. Die timmermanszoon moest zich vooral niet verbeelden dat Hij even voornaam was als de anderen. De maaltijd begon. De gasten lagen om de tafel op lange ruststoelen, steunend op een arm, de voeten achterwaarts gekeerd. Tussen al die rijke trotse mannen lag Jezus, even rustig en vriendelijk als eens toen Hij bij de tollenaars en zondaars in het huis van Matheus te eten was gevraagd. Hij wist hoe de andere gasten over Hem dachten maar Hij zweeg. Hun trots en hun minachting en ook de beledigende ontvangst van de gastheer deerde Hem niet. De schotels gingen rond. De wijn parelde in de bekers. De gesprekken kwamen los. En bij de open deuren verdrong zich het volk van de straat, om begerig te zien naar al die pracht in dit rijke huis. Dat was zo de gewoonte in het land: het volk mocht staan kijken bij de deur. Maar plotseling gebeurde er iets vreemds waar allen van schrokken. Een vrouw had zich door de mensen gedrongen kwam de zaal binnen wankelen en viel schreiend bij Jezus neer. Niemand begreep wat dat beteken moest maar Jezus begreep het wel. Hij wist dat deze vrouw diep ongelukkig was omdat ze veel kwaad gedaan had in haar leven. Zij was een zondares, die door ieder geminacht werd en gehaat. Maar nu had zij Jezus horen prediken in de stad en daarna had zij erg naar Hem verlangd, want zij geloofde dat Hij de enige was, die haar nog kon redden. Daarom had zij mirre voor Hem gekocht, een dure zalf in een albasten fles en zij was binnengedrongen in dit deftige huis, toen zij hoorde dat Hij hier was; zij kon niet anders, zij moest naar Hem toe. Nu had zij Hem gevonden en kon niet spreken van ontroering. Haar tranen, drupten op zijn voeten. Zij wilde ze afdrogen maar had geen doek. Toen droogde zij de voeten van Jezus met haar lange haren af en kuste die voeten telkens weer en zalfde ze met de zalf. Zo toonde zij haar berouw en haar liefde, zo toonde zij haar geloof in de Heiland.
Maar Simon en de andere Farizeeën zagen het verontwaardigd aan want zij kende die vrouw ook. Als ze haar ontmoetten op straat, gingen ze aan de overkant voorbij. Simon zou dat zondige schepsel niet aan zijn voeten hebben geduld… Hij zou haar hebben weggetrapt... En Jezus liet het toe Hij scheen niet eens te weten hoe groot de schuld was van die vrouw. Dan was Hij ook zeker geen profeet. Toen Simon zo ver was gekomen met zijn hoogmoedige gedachten zag Jezus hem aan en sprak: Simon Ik heb u iets te zeggen. De Farizeeën antwoordde uit de hoogte: Meester zegt het… Toen vertelde Jezus een verhaal. Hij zei: Een schuldeiser had twee schuldenaars; de een was hem vijfhonderd schellingen schuldig en de ander vijftig. Toen zij niet konden betalen schonk hij hun beiden. Wie van hen zal hem dan het meest liefhebben? O, dat wist Simon wel, dat was niet moeilijk. Hij antwoordde: Ik onderstel hij aan wie hij het meeste geschonken heeft. Jezus zei: Gij hebt juist geoordeeld. Maar toch bleek dat het verhaal niet een gewoon verhaal was geweest maar een gelijkenis; dat iets betekende. Jezus, keerde zich om naar de vrouw, die nog altijd aan zijn voeten lag en zei vriendelijk tot Simon: Ziet u deze vrouw?... Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijn voeten hebt u Mij niet gegeven; maar zei heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt, en ze met haar haren afgedroogd. Een kus het u mij niet gegeven; maar zij heeft van dat zij binnen gekomen is, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Met olie hebt u mijn hoofd niet gezalfd; maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd. En terwijl de Farizeeërs van diepe schaamte zijn trotse ogen wel neer moest slaan ging Jezus voort: Daarom zeg Ik u: haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, betoont weinig liefde. Ja, weinig liefde had de Farizeeër Jezus betoond; heel, heel weinig… En weinig zonden had... Of moest zijn grootste schuld nog worden betaald?... Hij was die ene schuldenaar die van vijftig schellingen; hij was óók een zondaar, dat wilde Jezus hem zeggen. Hij moest óók vragen om vergeving. De vrouw had het gedaan; zij was die andere schuldenaar, die van de grote schuld. Maar groot waren ook haar geloof en haar liefde. En daarom zei Jezus tot haar: Uw zonden zijn u vergeven. Er was geen heerlijker woord mogelijk voor die vrouw. Een blijdschap, zoals zij nog nooit had gekend kwam in haar hart en aanbiddend bleef zij liggen aan de voeten van Jezus. Maar in de ogen van de gasten was schrik en ergernis. Wie is deze, dachten ze die ook de zonden vergeeft? Dat kan God alleen. Maar Hij zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. Die vrouw ging heen overgelukkig. Zij was een andere vrouw geworden, zij ging een nieuw en rein leven tegemoet. Arm was zij gekomen, rijk ging zij heen. De andere schuldenaar zat nog bij Jezus aan tafel en hij kon nu weten wie Jezus was. Meer dan een profeet... Hoe vriendelijk hoe teer had Jezus hem behandeld. Als die rijke Farizeeër nu ook maar zijn armoede, zijn schuld wilde zien...
Suzan de Boe.

HET KONINKRIJK DER HEMELEN.

HET KONINKRIJK DER HEMELEN.
clip_image004_thumb2
Er was eens een man die een akker had en die daar koren in zaaide. Overal op de vruchtbare grond vielen korrels en de aarde dekte ze toe. Maar toen het nacht geworden was en die man ging slapen kwam zijn vijand, ging ook over die akker en zaaide zaad van onkruid tussen het goede zaad van het koren. Nu lagen daar twee soorten zaad door elkaar verborgen in de akker, goed zaad en slecht zaad. En beiden ontkiemde en kwam op. Ze leken zo veel op elkaar dat ze in het begin niet te onder scheiden waren. Maar toen ze beiden gebloeid hadden en vrucht voortbrachten, bleek het verschil. Tussen de zware korenaren met hun zoete voedzamen korrels stonden de aren van het onkruid. Ze ruisen even lieflijk in de wind en bogen even zwaar beladen en nederig het hoofd, maar het zaad was zwart en vergftig.de knechten van die man die toen plotseling merkten hoe de akker bedorven was, liepen verschrikt naar hun meester en vroegen: Heer hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij aan onkruid? Hij zei: Dat heeft een vijandig mens gedaan. Wilt u dan dat wij het er ut halen? Vroegen de knechten. Maar dat wilde hun meester niet. Want de wortels van koren en onkruid waren dooreen gegroeid en de knechten zouden misschien bij het wieden ook korenplanten uittrekken. Hij sprak: Laat beiden samen opgroeien tot de oogst. Dan zal ik tot de maaiers zeggen: Haal eerst het onkruid bijeen en bindt het in de bossen om het te verbrandden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur.
Dit is een verhaal van Jezus een gelijkenis die Hij aan de mensen vertelde. Weer kwamen later de discipelen bij Hem, om te vragen naar de betekenis. En Jezus legde hun die uit. Die het goede zaad zaait is de Zoon des mensen, Jezus zelf. De akker is de wereld. Het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk: de mensen die God lief hebben. Het onkruid zijn de kinderen van de Boze die God haten. De vijand die het slechte zaad gezaaid heeft, is de duivel die ongemerkt rond gaat door de wereld om het werk van God te bederven. En evenals op die akker, zo leven nu ook in het Koninkrijk van God goeden en bozen naast elkaar. Ze lijken soms veel op elkaar geen mens kan zeggen wie niet en wie wel Gods kinderen zijn. Maar God weet het. Hij laat ze nog bij elkaar leven. Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Maar eens zullen ze gescheiden worden wanneer de tijd van oogsten is. De oogst is de voleinding der wereld, de grote dag als Jezus komen zal om te oordelen en de levende en de doden. Dan zal Hij engelen uitzenden als maaiers en ze zullen uit zijn Koninkrijk bijeenbrengen en alle verleiders en alle kwaaddoeners. Die zullen hun straf ontvangen. Maar de rechtvaardigen de kinderen van God zullen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft die hoorde. Dit was de gelijkenis van het onkruid in de akker. En opdat de discipelen nooit meer vergeten zouden wat hun Meester daar mee wilde leren, vertelde Jezus hun later nog een gelijkenis. Zij zouden vissers van mensen zijn en in het net van zijn woord mensen vangen en tot God brengen. Maar eens zou het blijken dat niet allen die zich laten meeslepen door hun woord God oprecht lief hadden gehad, Sommigen zouden doen alsof zij hoorden bij Gods Koninkrijk, maar zij zouden er niet binnengaan. Jezus sprak: Evenzo is het Koninkrijk de hemelen gelijk aan een sleepnet, neer gelaten in de zee dat allerlei bijeenbrengt. Wanneer het vol is haalt men het op de oever en zet zich neer en verzamelt het goede in vaten, maar het ondeugdelijke, de vergiftige en onreine vissen werpt men weg. Zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. De engelen zullen uitgaan om de bozen uit het midden der rechtvaardigen af te zonderen.
Hij+gaat+zitten+op+een+rots+en+leert+de+schare+…
Er waren nu maar weinig mensen die Jezus volgden en Hem lief wilden hebben. Zijn Koninkrijk, het Koninkrijk der hemelen stond nog maar pas aan het begin. Wat was het klein en nietig vergeleken bij het grote Romeinse keizerrijk! Maar het zou groeien en zich uitbreiden; het zou groter en machtiger worden dan enig rijk op aarde. Dat leerde Jezus aan zijn discipelen in de gelijkenis van het mosterdzaad. Hij sprak: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand in zijn tuin zaaide. Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen.
Wie tot het koninkrijk van God gaat behoren, wordt een ander mens. De Geest van God komt in zijn hart en doet daar stil zijn werk. Die heilige Geest doordringt het hele leven van die mens en maakt het goed en gelukkig en rijk. En waar het koninkrijk van God komt, verandert alles. Dat leerde Jezus aan zijn discipelen in de gelijkenis van de zuurdesem.
Een vrouw wilde een brood bakken. Ze nam meel en kneedde het deeg. Maar ze zette dat deeg niet in de oven. Dan zou het brood harden smakeloos worden. Ze mengde er een klein stukje deeg door, dat ze bewaard had van de vorige keer zodat het zuur geworden was. En dat stukje zuurdesem dat kleine stukje gist door zuurde ongemerkt het hele brood zodat het rijzen kon en heel zacht en smakelijk werd. Jezus sprak: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem welke een vrouw nam en in drie maten meel deed totdat het geheel door zuurt was. Het is heerlijk bij het Koninkrijk der hemelen te horen. Het is het grootste geluk dat op aarde mogelijk is, de grootste schat om een kind van God te mogen zijn. Velen lopen aan die schat voorbij en ze merkten het niet. Maar wie hem eenmaal heeft zien blinken in zijn hemelse glans, die heeft geen rust meer voor hem die bezit. Die heeft er alles voor over. Dit leerde Jezus ook aan zijn discipelen. Hij vertelde de geschiedenis
van de schat in de akker. Een man was aan het graven en stootte met zijn schop op iets hards. Hij groef nieuwsgierig verder en vond een grote schat, die daar misschien al eeuwen gelegen had. Hij sloeg van verrukking zijn handen ineen. Maar die schat was niet van hem, want de akker was ook van een ander. Maar hij moest hem hebben hij kon de schat niet meer vergeten. Hij verborg hem weer onder de grond en ging naar huis. Hij moest alles verkopen wat hij had. Toen pas had hij geld genoeg. Maar voor dat geld kocht hij de akker, met de schat die daarin verborgen was. En er was ook een koopman die parelen zocht. Eens zag hij een parel zo groot en heerlijk van glans. Als hij nog nooit gezien had. Toen konden hem al zijn rijkdommen niets meer schelen. Hij verkocht alles wat hij had en voor dat geld kocht hij die ene parel. Toen pas had hij rust. Dat was de gelijkenis van de kostbare parel.
De koopman en de graver hadden alles moeten verliezen; ze hadden alleen hun parel, hun schat. En ieder die het geluk heeft gevonden, dat Jezus op aarde heeft gebracht, al moet hij ook alles verliezen dan voelt hij zich toch rijk. Want die hemelse schat is meer waard dan al het andere en kan nooit verloren gaan.
Ingezonden door Suzan de Boe.

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.
Jezus, stond te prediken omringd door het volk. Hij sprak over de heerlijkheid van Gods koninkrijk en het grote geluk van ieder die God wilde dienen met heel hun hart. Toen trad een schrift geleerde naar voren en viel Hem in de rede. Hij had met jaloersheid gezien hoe het volk stond te luisteren naar die eenvoudige Jezus die timmermanszoon. Ik zal Hem eens een paar moeilijke vragen stellen, dacht die man. Misschien moet Hij het antwoord schuldig blijven; dan staat Hij beschaamd voor heel het volk! En als Hij een verkeerd antwoord geef zal ik Hem aanklagen dat Hij een valse leraar is. En toen vroeg hij: Meester wat moet ik doen om het eeuwige leven te beerven? Jezus zag de man aan. Hij zag de list in zijn ogen. Hij zag de minachtende glimlach om die trotse mond. Hij begreep het Boze plan van die man. Hij antwoorde zachtmoedig en geduldig. Dat weet u toch wel? Wat staat er in de wet geschreven? Hoe leest Gij? Het antwoord van de schrift geleerde kwam zo vlot als een van buiten geleerd les: Gij zult de Here uw God liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als u zelf. Jezus knikte hem goedkeurend toe. U hebt juist geantwoord sprak Hij. Doe dat en u zult leven. En Hij keerde zich weer tot het volk. Daar stond die hoogmoedige man toen beschaamd en verlegen als een schooljongen voor de meester. En in zijn verlegenheid deed hij snel nog een vraag, om maar niet zo dom te verschijnen. En hij zei: En wie is mijn naaste? Toen vertelde Jezus aan die geleerde man een verhaal om hem te leren wie zijn naaste was.

Barmhartige%20Samaritaan
Er was eens een man die van Jeruzalem naar Jericho ging. Terwijl hij vertrok langs de eenzame gevaarlijke weg tussen sombere grijze bergen werd hij plotseling overvallen door een bende rovers, die zich in de rotsblokken verborgen hadden. Deze sloegen hem tegen de grond, mishandelden hem en namen hem alles af. Daarna gingen ze weg en lieten hem halfdood liggen. Nadat de ongelukkige daar een poos had gelegen kwam er iemand voorbij. De man richtte zijn pijnlijk hoofd met moeite op en zag dat het een priester was, Deze kwam uit Jeruzalem waar hij offers had gebracht in de tempel en gebeden had voor zijn volk. Zo vrome man zou zeker medelijden hebben. Hij stond reeds stil. Hij zag de ongelukkige en hoorde zijn kreunen. Maar de offers en de gebeden hadden zijn hart niet veranderd. Hij dacht alleen aan zichzelf en aan zijn eigen veiligheid. Wat was deze weg gevaarlijk! Hoe licht konden de rovers ook hem aanvallen. Hij moest maar niet langer blijven als het nodig was! Was het niet beter dat ze één slachtoffer maakten dan twee? Zo dacht de priester en haastig ging hij voorbij aan de overzijde van de weg. Hij liep misschien wel te bidden voor de man, maar hem helpen deed hij niet. Zijn voetstappen stierven weg in de verte.
Het werd weer stil. Een raaf kraste ergens tussen de bergen. De man was alleen met zijn angst met de smart van zijn wonden waar de zon in brandde. Maar plotseling klonken er weer voetstappen. Nu was het een
Leviet, een dienaar van God eveneens als priester. Ook hij had in het huis van God zijn vrome werk gedaan en zag nu op de terugweg naar huis deze man liggen. Maar even als de priester liep hij haastig voorbij en wist dat wel goed te praten. Was zijn leven niet meer waard dan dat van die onbekende? En niemand had immers gezien dat hij voorbij gelopen was? Toen wist die arme beroofde man dat hij sterven moest. Als een priester en een Leviet hem niet helpen van wie kon hij dan nog redding verwachtten?
Maar zie er kwam nog iemand voorbij. Een
Samaritaan was het, een reiziger uit het land Samaria, die daar op zijn ezel aan kwam rijden. Een vijand want die beide volken de Samaritanen en de Joden haten elkaar reeds vele eeuwen; zij verheugden zich elkanders ongeluk en bespotten elkaar waar ze konden. De man wenste dat zijn vijand maar spoedig voorbij zou zijn. Maar de ezel stond stil. Voetstappen kwamen nader; een voorzichtige hand werd onder het hoofd van de gewonde geschoven. En toen die verwonderd op keek zag hij twee medelijdende ogen en wist dat hij gered was. Want die Samaritaan kon niet voor bij gaan toen hij die ongelukkige gezien had. Bij dit lijden vergat hij alles. Hij waste de wonden van de man met zuivere wijn, hij druppelde er olie op om de pijn te verzachten. Toen hielp hij de man op zijn ezel en liep er zelf naast om hem te ondersteunen. Zo trok hij langzaam voort langs de eenzame gevaarlijke weg, en bracht hem in een herberg en verzorgde hem. De volgende morgen riep hij de waard gaf hem twee schellingen en zei: Verzorg hem en mocht u meer kosten hebben dan zal ik ze u vergoeden op mijn terug reis.
Toe Jezus dit verhaal verteld had keek hij de schrift geleerde aan en vroeg: Wie van deze drie dunkt u dat de naaste geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen? En hoe die trotse Jood de Samaritanen haatte hij moest wel zeggen: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. Jezus zei: Ga heen doe u even zo. Die schrift geleerde had zo goed van buiten geleerd wat hij doen moest om in de hemel te komen: God liefhebben boven alles en zijn naaste als zichzelf. Maar hij had het nooit geprobeerd. Het waren woorden voor hem gebleven. Ga heen en doe even zo. Als hij maar eens zijn best deed, om zijn naaste lief te hebben! Dan zou hij merken dat hij maar een klein en slecht mens was. En juist dan zou hij heel dichtbij de hemel zijn.

GoodSamaritan
Ingezonden door Suzan de Boe.

DE NAAM VAN JEZUS

DE NAAM VAN JEZUS.
imgres
Op de zelfde plaats waar hun meester zo dikwijls had gepredikt en waar Hij eens bijna gestenigd was, stonden nu zijn discipelen te preken in zijn naam.
Maar ook hun zou de vijandschap niet worden bespaard. Want de priesters merkten wat er in de hemel gebeurde en kwamen verontwaardigd toelopen met de hoofdman van de tempelwacht en zijn dienaren. De naam van Jezus mocht niet meer in de tempel genoemd worden. Jezus, was dood en van zijn opstanding mocht het volk niet horen. De discipelen hadden zijn lichaam gestolen terwijl de soldaten sliepen. En stonden nu hier twee mannen te verkondigen, dat Hij wel was opgestaan?

Ze grepen hen en zetten hen in de gevangenis. Door streng optreden zouden ze een eind maken aan het werk van die lastige lieden. Ze wilden nu eindelijk rust hebben van die Jezus. Ze hadden moeite genoeg met Hem gehad! En daar zaten dan Petrus en Johannes in de kerker, en zij moesten er de hele nacht blijven. Maar zij treurden niet. Zij voelden zich ook daar dicht bij Jezus en in hun hart was zelfs dankbaarheid, dat ze een weinig mochten lijden voor hun Meester die zoveel voor hen geleden had. Hun gedachten waren bij de broeders en zusters van de gemeente, die ook deze avond weer bijeen zouden zijn. Het werk der prediking ging toch door ook al zaten zij hier! Hoe konden de priesters denken, dat zij ooit dat werk zouden verstoren? Reeds was het getal der gelovigen tot vijfduizend gestegen. Vijfduizend monden spraken met blijdschap over Jezus. Was het dan erg dat er twee het zwijgen was opgelegd? De volgende morgen kwam het Sanhedrin bijeen: de oude sluwe Annas en Kajafas en al die andere listige leden van de deftige Hoge Raad. Ze dachten dat ze voorgoed met Jezus afgerekend hadden. Was hun moeite vergeefs geweest? Zij lieten Petrus en Johannes voor zich leiden en ook de man die door hen genezen was. Toen vroegen ze streng: Hoe komt het dat deze man weer lopen kan? Door welke kracht of door welke naam hebt gij dit gedaan? Petrus nam moedig het woord. Hij stond voort de machtige mannen, die zijn Meester hadden veroordeeld en bespoten plotseling voelde hij weer de wonderlijke kracht in zijn ziel, de onbekende vreugde die op de pinksterdag in zijn hart was gekomen. Hij werd vervuld met de Heilige Geest. Toen vreesden hij niemand meer en durfde zelfs zijn rechters aan te klagen, Door de naam van Jezus Christus de Nazoreeër staat deze man gezond voor u,” zei hij. Door Hem die gij gekruisigd hebt maar die uit de doden heeft opgewekt. Hij is de steen die door u der bouwlieden versmaad is, maar die nochtans tot hoeksteen is geworden. En er is onder de hemel geen andere naam de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden. De deftige rechters waren stil van verbazing. Zij begrepen niet dat die ongeletterde en eenvoudige mannen hier zo vrijmoedig voor hen stonden en dat de oudste zo wijs en krachtig kon spreken. Zij herkenden hen als mannen die met Jezus geweest waren. En omdat zij de genezende bij hen zag staan, konden zij er niets tegen inbrengen. Zij geboden Petrus en Johannes om de zaal te verlaten, want zij wilden overleggen wat hun te doen stond.


Wat moesten ze beginnen? Dat er een wonder gebeurd was wist heel Jeruzalem dat konden zij niet meer tegen spreken. Als er nu maar niet meer door de discipelen over Jezus gepredikt werd. Die naam moest vergeten worden. Die moest uitgeroeid worden van de aarde. En toe zij Petrus en Johannes weer hadden laten roepen bedreigden zij ze met zware straffen wanneer zij het nog één keer zouden wagen om over Jezus te spreken. Toen glimlachten de apostelen. Niet meer spreken over hun Meester, hun Heiland, hun Zaligmaker, hun Leven? Tot hun dood zouden ze over Hem spreken! Hij zelf had het immers geboden? En ze antwoorden: Is het dan goed dat wij u méér gehoorzamen dan God? Wij kunnen het niet laten te spreken van wat wij gehoord en gezien hebben. Maar zij bedreigden hen nog meer en lieten hen toen vrij. Zij hadden ze graag gestraft, maar zij durfden niet om het volk. Want door heel de stad werd met geestdrift gesproken over het wonder, dat bij de schone poort was gebeurd. Want meer dan viertig jaar was de man oud aan wie het teken der genezing was verricht. Hij was verlamd geweest van de geboorte af en n u liep hij weer rond als een ieder ander! Was dat geen wonder van God?... Toen Petrus en Johannes weer bij hun vrienden kwamen vertelde ze alles wat er gebeurd was en wat de overpriesters en de oudsten gezegd hadden. Dat gaf blijdschap in de gemeente maar ook zorg. Want nu de vijandschap van de Joden eenmaal was losgebarsten zouden ze niet meer rusten voor ze hun haat hadden gekoeld, dat begrepen al de discipelen.
Maar ze wisten bij wie ze hulp moesten zoeken. Ze knielden samen neer en smeekten of God hen moedig en sterk wilde maken, en of Hij door tekenen wonderen aan het volk wilde tonen, welk een zegen de heilige naam van Jezus was. Nadat gebed bewoog de grond onder hun voeten en zij werden allen vervuld door de Heilige Geest en spraken Gods woord met vrijmoedigheid. Nooit zouden de Joden hun doel bereiken. Jezus, hadden ze niet voorgoed kunnen doden. Zijn naam zouden ze ook niet kunnen uitroeien. Die naam zou leven tot in eeuwigheid!
Ingezonden door Suzan de Boe.